Oefen met het herkennen van het naamwoordelijk gezegde. Klik in de zin alle woorden aan die bij het naamwoordelijk gezegde horen. Soms heeft een zin geen naamwoordelijk gezegde. Dan klik je niets aan en controleer je je antwoord.
De zinnen worden elke keer gehusseld en er wordt automatisch een andere oefenset gekozen.
Kies wat je wilt oefenen
Korte uitleg
Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel. Het zegt wat het onderwerp is, wordt, blijft, lijkt of schijnt.
zijnwordenblijvenlijkenschijnenhetendunkenvoorkomen
Voorbeeld: Mijn broer is ziek. Het naamwoordelijk gezegde is: is ziek.
Wat zijn koppelwerkwoorden?
De bekendste koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.
Wat is het verschil tussen een werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde?
Een werkwoordelijk gezegde geeft meestal aan wat iemand doet. Een naamwoordelijk gezegde zegt juist iets over wat iemand of iets is, wordt, blijft, lijkt of schijnt.
Hoe herken je het naamwoordelijk deel?
Het naamwoordelijk deel geeft een eigenschap, toestand of naam van het onderwerp. In de zin De leerling is moe is moe het naamwoordelijk deel.
Heeft elke zin met zijn of worden een naamwoordelijk gezegde?
Nee. Soms is zijn of worden een hulpwerkwoord. Bijvoorbeeld in Hij is gevallen. Daar is is gevallen een werkwoordelijk gezegde.